Even een zwak moment en je bent crimineel

Het begint relatief onschuldig op een zaterdagavond in de sportkantine. ‘Heb je ooit iets strafbaars gedaan?’ Ik ben 15 jaar oud en we zijn net naar een nieuw millennium verhuisd. Ik heb zelfs nog nooit een pakje kauwgom gestolen, maar nieuwsgierig ben ik wel. Vooral omdat ik een beetje verliefd ben op de jongen die mij zonder een spoortje humor deze vraag stelt. Hij vertelt een geheim plan te hebben waar ik misschien een buitengewoon belangrijke rol in zou kunnen spelen.

De volgende dag sta ik enigszins ontheemd in de vers gevallen sneeuw in het bos. Voordat ik meer mag weten over de achterliggende motieven van het object van mijn puberale affectie, moet ik mezelf aan hem bewijzen. Laten zien dat ik zonder vragen bevelen op kan volgen. Ik heb geen idee waar hij het over heeft. De uitnodiging voor een boswandeling had gisteren veelbelovend geklonken. Zijn donkere ogen kijken me verre van belovend aan, als hij zegt: ‘Ren naar de andere ingang van het bos. Ik wacht daar op je.’ Zonder dat ik de kans krijg te protesteren, verdwijnt de bagagedrager waarop ik zojuist gearriveerd ben tussen de bomen. Witte vlokjes dwarrelen om mijn verwarring, terwijl ik mijn rechtervoet moeizaam uit de sneeuw trek. Hij verwacht toch niet dat ik nu op commando ga hardlopen?

Twee uur later bij de fruitautomaten in de lokale kroeg krijg ik, ondanks mijn ernstige gebrek aan toewijding, de dirty details van het masterplan.  Stikstof, wat zijn geheime codenaam blijkt, bevindt zich in een vergevorderde staat van voorbereiding om de lokale Albert Heijn te overvallen. ‘De supermarkt?’, vraag ik lachend, maar Stikstof blijkt bloedserieus: ‘Je bent al gezakt voor je loyaliteitstoets, wil je dat ik iemand anders zoek?’  Geschrokken pers ik mijn lippen op elkaar en mijn gezicht in de plooi. Stikstof vertelt verder.

Hij heeft me geselecteerd omdat ik niet bang lijk en omdat ik werk als vakkenvuller bij de bewuste Albert Heijn. Mijn taak – mits ik me kan gedragen – zal zijn om me bij sluiting te verstoppen en op te laten sluiten in het magazijn. Het magazijn is niet beveiligd met een alarm en vanaf die plek zal ik van binnenuit de deur open kunnen doen voor mijn twee handlangers. Een grijns speelt voor het eerst deze middag rond zijn lippen. ‘Kalium, die zul je nog wel ontmoeten, regelt guns, voor als bezorgde burgertjes de held uit proberen te hangen.’ Terwijl ik mezelf al met een semiautomatisch wapen tussen de groenteconserven zie rennen, wordt het verhaal met de minuut ongeloofwaardiger.

De derde handlanger, die nog geen scheikundige stof toebedeeld heeft gekregen, zal op de uitkijk staan op het dak tegenover het magazijn. Als het winkelalarm afgaat, hebben we acht minuten om bij de kluis in de winkel te komen, die te kraken en nog op tijd weg te komen, voordat de politie arriveert. De alarmbellen in mijn eigen hoofd gaat ook af. Hoe weet hij dit allemaal en hoe gaan ze dan die kluis kraken? Terwijl ik probeer te bedenken waarom je in vredesnaam zo’n bizar verhaal zou verzinnen, loopt hij naar de bar om nog wat te bestellen. Heel even denk ik dat hij me misschien leuk vindt, tot hij een minuut later terugkomt met maar één glas cola.

Dagen gaan voorbij en terug op school lijkt een overval op de Albert Heijn met de minuut belachelijker. Stikstof hangt gewoon als altijd rond bij zijn vrienden en wapens of andere gevaarlijke scheikundige stoffen zijn in geen velden of wegen te bekennen. Ik ben het al bijna weer vergeten, als ik plotseling inloggegevens voor een besloten forum in mijn Hotmail tref. Mijn ouders zijn nog niet thuis, maar toch sluit ik voor de zekerheid de deur van de computerkamer. Mijn ogen scannen het scherm en mijn handen besturen klammig de muis. Het is geen grap. Dit zijn de inloggegevens voor Fosfor. Fosfor, die zich ongemerkt op moet laten sluiten in een magazijn na werktijd. Fosfor, Silvie, ik. De website bevat gedetailleerde plannen, inclusief plattegronden en discussies die al maanden gaande zijn. Het bekende blauwe logo danst voor mijn ogen. De Albert Heijn! Ik schiet weer in de lach, maar het geluid van mijn lach klinkt gek en nerveus. Zelfs het topic voor de tropische laylow-vakantie is al aangemaakt. Ik sta op, loop naar de spiegel in de badkamer en kijk naar mezelf. Mijn roze geverfde haren beginnen alweer uit te groeien en mijn mascara zit op meer plekken dan de bedoeling was. Ik slaak een diepe zucht en zeg hardop tegen mijn spiegelbeeld.

‘Wie had dat gedacht? Je gaat de Albert Heijn overvallen…’

Een stukje naakte troost voor hete kantoordagen

Lachend duw ik mijn helm van mijn hoofd. Het is 26 graden, een doodnormale woensdag en ik ben uitgenodigd voor een potje zwemmen, zonnen en spelletjes spelen langs de Nederrijn. Ik ken niemand van de genodigden, maar dat lijkt me een simpele kwestie van tijd. Vol goede zin loop ik met mijn armen vol helm en motorpak de geïnstrueerde weg vanaf de parkeerplaats naar de rivier. Terwijl ik me op mijn blote voeten een veilige weg door de brandnetels baan, valt me iets op. De stipjes aan het water in de verte ontpoppen zich langzaam tot naakte figuurtjes. Geen sexy bikini’s of vrolijke zwembroeken. Gewoon naakt. Heel natuurlijk normaal naakt. Oké, denk ik. Niet helemaal wat ik me had voorgesteld bij jeux de boules, maar wat maakt het uit?

‘Hey hallo, hoe is het hier?’ In mijn verbeelding echoot mijn stem over het water en ik leg met een overdreven zorgvuldigheid mijn spullen in het gras. De meesten lijken me niet te zien, wat uiteraard ook moeilijk is als je met je ogen dicht in innige omhelzingen verwikkeld bent. Dankzij de adrenaline door de motortocht en licht ongemak begin ik te ratelen tegen de organisator van het zonnige rivierfestijn. ‘Wat leuk je weer te zien, wat lang geleden, wat een mooie plek hier, hoe gaat het met je?’ Mijn spraakwaterval lijkt mijn aanwezigheid verraden te hebben en een naakt lichaam drukt zich begroetend met gespreide armen tegen me aan. Ik besef dat ik toch meer een woordenmens ben, maar beantwoord de omhelzing met alles wat ik in me heb.

Terwijl ik mijn kleedje op het gras spreid en open en bloot mijn kleding en ondergoed verwissel voor een bikini, voel ik me preuts. Waarom mogen deze mensen mijn naakte lichaam wel zien, maar niet langer dan een paar seconde? Is dat flauw? Kinderachtig? In de sauna ben ik toch ook naakt? Waarom nu niet hier bij deze mensen? Terwijl de vragen zonder antwoorden door mijn hoofd spoken, dartelt de rest de rivier in. Met de eerste enthousiaste schreeuw, vliegt ook de eerste modder in het rond en voordat ik het weet smeren de bloteriken elkaar in met Nederrijnse rivierklei. Demonstratief pak ik mijn zonnebrandcrème en begin ook te smeren. Heel normaal. Je moet elkaar gewoon laten en accepteren, vertel ik mezelf, terwijl ik mijn ogen sluit en de zon zijn effect op mijn overbedekte lijf laat hebben.

Niet veel later vleit iedereen neer op het grote gemeenschappelijke kleed en ook ik richt me weer op. Ik ben al een vreemde eend in de bijt. Nu iedereen zit, kan ik op zijn minst een beetje sociaal doen. Nonchalant pak ik een appel, terwijl het meisje tegenover mij zich in een comfortabele kleermakerszit op een bak salade stort. Ik herinner me dat ik nog nooit in mijn leven gynaecoloog heb willen worden en bestraf mezelf onmiddellijk voor die gedachte. Ze heeft per slot van rekening haar best gedaan verhullend te zijn door haar relatie met het scheermes op te schorten. Waarom besteed ik zelf eigenlijk nog tijd en geld aan het bestrijden van moeder natuur?

Hopend op een gesprek, maar hopeloos vervreemd van mogelijke onderwerpen, kijk ik naar het stelletje dat vervlochten onder een lakentje op het groepskleed ligt. Iedere halve minuut ontsnapt een tevreden kreun of zucht uit hun intieme wereld. Niemand vindt dat gek. Zuchten met zoveel mogelijk geluid en lichaamsactiviteit lijkt van levensbelang vandaag. Alles is natuur. Een gesprek komt niet op gang, maar als de gitaren gestemd zijn blijkt dat het de bedoeling is dat we allemaal meezingen. Heel even stijg ik tijdens een eeuwig repeterend mantra op uit mijn lichaam om de situatie te beschouwen. Wie had dit voor mogelijk gehouden op het Gelderse platteland? Mijn verwondering wordt kracht bij gezet door een dame die in zichtbare extase opstaat en pardoes het Zwanenmeer in volledige perfectie uitvoert. Haar modderige grande jeté doet me duizelen en ik besluit mijn ogen eventjes weer te sluiten.

Mijn gedachten razen voort, maar worden plotseling weggeblazen door een harde wind. Nog voordat ik mijn ogen open kan doen, hoor ik mijn vrees uitgesproken: ‘Liet je nou een scheet op haar hoofd?’ Licht ontdaan kijk ik op en zie twee ronde billen op nog geen halve meter afstand. Het meisje op haar knieën naast mij, lijkt het probleem niet te begrijpen. Winden, boeren, zuchten, kreunen, wollige vagina’s en zwabberende piemels. Allemaal natuurlijk. In tegenstelling tot zonnebrandcrème, daar zitten zoveel chemicaliën in dat je beter ter plekke weg kan fikken. In schril contrast tot mijn lichte verontwaardiging hoor ik mezelf zeggen: ‘Ach die scheet… Nou ja, het waait toch.’

Mijn woorden herhalen zich nog een paar keer in mijn hoofd, terwijl ik langzaam mijn spullen begin in te pakken. Mijn hypertolerantie voor alles wat mij vreemd is, heeft zijn grenzen bereikt. Ik heb zojuist iemand die in mijn gezicht scheet, geëxcuseerd met de natuurlijke luchtbeweging van de atmosfeer. Tijd om te gaan. Ik zwaai mijn riviergezelschap gedag en wurm me ondanks de hoge temperaturen in mijn allesbedekkende dikke leren motorpak. Als ik mijn motor over de dijk naar veiligere oorden stuur, ben ik toch content met dit laatste avontuur. Voortaan wanneer ik met hoge temperaturen in een suf kantoor tekstjes typ, kan ik troost vinden in de wetenschap dat ergens in Nederland blote hippies langs de rivier dansen.

De dag waarop ik mijn droomopdracht binnensleep

Een goede voorbereiding is het halve werk. Ik ben onderweg naar een afspraak met mijn droomopdrachtgever: Een man die een zeilreis om de wereld maakte ter ere van zijn overleden vrouw en daar een boek over wil laten schrijven. Ik ben ruim op tijd, heb een keurig portfolio in mijn tas en draag een panty zonder ladders. Dit kan niet misgaan, denk ik nog, terwijl Google Maps mij vertelt dat De IJsbreker in Amsterdam Noord ligt. Aan de overkant van ‘t IJ manoeuvreer ik mijn ov-fiets door de menigte. Mijn ogen flipperkasten fanatiek tussen de brij van fietsers en het blauwe bolletje op mijn telefoonscherm. Ik probeer net een stukje uit te zoomen als een klap tegen mijn trapper me met een rotvaart op de grond smijt. Verbaasd en bloedend kijk ik achterom naar het rode paaltje dat schuldig blijkt aan mijn neergang. Godschristus, hoe krijg ik dat voor elkaar?

Terwijl kundigere mede-fietsers bezorgd voor mij stoppen, graai ik mijn telefoon, tas en laatste restje waardigheid van het fietspad. ‘Nee hoor, het gaat prima.’ Ik staar naar mijn geschaafde handpalmen en gescheurde panty. Als ik opschiet kan ik nog het bloed van mijn handen wassen en een pleister vragen, voordat die man er is. Tien minuten later ligt mijn bestemming aan mijn rechterhand en ben ik officieel verdwaald. Nergens een café, restaurant of zelfs een parkbankje te bekennen. Ik wil net een stukje verder fietsen, als mijn oog valt op een groot bord: ‘Basisschool De IJsbreker.’

Wat?! Een school? Vliegensvlug zoek ik opnieuw ‘De IJsbreker’ op Google Maps en voeg er dit keer ‘café’ aan toe. Weesperzijde centrum, 18 minuten fietsen. Shit, shit, shit! Ik haal diep adem en spring weer op de fiets. Gelukkig was ik een kwartier te vroeg. Als ik een beetje doorfiets, kom ik nog precies op tijd. Hijgend weet ik mijn fiets nog net op een vertrekkende veerboot te krijgen en ik haal ik mijn telefoon tevoorschijn om mijn nieuwe route beter te bekijken. Het apparaat licht nog heel even op, voordat het scherm donker wordt. Verwoed druk ik op zoveel mogelijk knoppen. Hoe kan dat? Ik had nog 60% batterij! Ik heb Amsterdam pas ontdekt in een tijd, waarin het niet meer noodzakelijk was om straten te onthouden. Ik heb nu geen idee hoe ik moet fietsen!

Gestrest vraag ik de weg naar De IJsbreker aan een meisje dat eruit ziet alsof mijn dag haar nooit zou overkomen. Ze geeft me een uitleg waarvan ik weet dat ik hem nog vele malen opnieuw zal moeten vragen. Tevergeefs probeer ik mijn telefoon weer aan te krijgen. Bellen dat ik wat later ben, zou wel zo vriendelijk zijn. Zoekend en vragend fiets ik door Amsterdam en kom tot de verrassende conclusie dat iedereen bijzonder behulpzaam en attent is. Het is bijna gezellig en ik neem me voor om onder betere omstandigheden nog eens de weg kwijt te raken.

Ruim een half uur te laat loop ik eindelijk Café-Restaurant De Ysbreeker binnen. Mijn afspraak zit godzijdank nog te wachten. Zijn overhemd, spencer en glimmende schoenen vormen een schril contrast met mijn innerlijke en uiterlijke warrigheid. Ik mompel iets over een toerist die tegen me aan is gebotst en excuseer me, voor hij me de bloedende hand kan schudden. In het toilet kijk ik naar mijn verwilderde spiegelbeeld en haal diep adem. ‘Gewoon doen alsof je normaal bent.’ 

Om 17.00 uur ’s middags zit ik uitgeblust, gedesillusioneerd en klaar met de dag in de trein. De afspraak is best oké verlopen, maar dit lijkt me niet een dag waarop ik successen behaal.  Alhoewel? Ik heb net mijn telefoon weer aan de praat gekregen, als er een schermvullende penis in beeld verschijnt. Of ik wil accepteren of niet. AirDrop voor de iPhone: eenvoudig, razendsnel én educatief. Ik kijk even om me heen wie er bij dit gigantische exemplaar zou kunnen passen, maar besluit snel dat het leven best geheimen mag hebben. Aangekomen op Utrecht Centraal zeg ik de rest van mijn afspraken voor die dag af en ga direct naar huis. Morgen ga ik gewoon weer zonder verwachtingen op pad.

Af en toe moet je geloven in romantiek – zelfs op Tinder

Het overkomt me tenminste een keer per maand. Als ik mijn ogen opendoe weet ik al hoe laat het is. In tegenstelling tot andere dagen spring ik uit bed en sleur ik de gordijnen open. Zon of regen, het maakt niet uit. Ik heb zin in avontuur! En wat is tegenwoordig een makkelijkere bron van avontuur dan Tinder?

Laatst was het weer zo ver. Vol opgetogen spanning scroll ik door de mannen die ik in mijn Tinder-kaartenbak heb verzameld en stuur wat willekeurige berichten rond. Al snel raak ik in gesprek met een charmante James Dean, inclusief warrige haardos en nonchalante sigaret op zijn lippen. Ik weet dat dit beeld vanuit een extreem specifieke hoek is gefotografeerd en waarschijnlijk discrepanties kent met de werkelijkheid, maar op avontuurdag is er weinig ruimte voor dat soort cynisme.

James Dean is doortastend en het plan is snel gesmeed. Geen koffies, geen biertjes in een suffe kroeg. Het is mooi weer, wij gaan naar De Efteling. Hij moet vanuit Amsterdam komen, dus ik pik hem op met de auto op Utrecht Centraal. Ondanks mijn preoccupatie met de stationse wirwar van taxi’s, bussen en verdwaalde automobilisten zie ik James meteen. Helaas ziet hij mij ook, anders had ik mijn rode Toyotaatje misschien nog achter een harmonicabus kunnen manoeuvreren. Zodra zijn mengsel van overdadige aftershave, minimale lichaamsverzorging en sigarettenrook mijn auto vult, vervloek ik Disney en alle andere wereldse instituten die die romantische onzin in mijn hoofd stoppen. Ja hè? Wat was het een mooi verhaal geweest als ik zo spontaan met de man van mijn dromen in de Efteling was beland.

Terwijl James non-stop begint te praten over de hoeveelheid geld die hij heeft verdiend met pokeren op cruiseschepen over de hele wereld, denk ik aan mijn werk. Vandaag had zo’n productieve werkdag kunnen zijn. Ik moet nog zeker 5000 woorden schrijven deze week, een nieuwsbrief maken en mijn administratie doen. In plaats daarvan zit ik in deze zelf-gecreëerde hel op weg naar de Efteling. De oprit naar de snelweg voelt als een uitnodiging tot hyperventileren. Kan ik hier echt niet meer onderuit?

Ik ben blij dat James het gesprek grotendeels alleen weet te dragen. Ik overweeg vooral mijn auto tegen de vangrail te sturen om onder deze dag uit te komen. Bij de afslag Vianen Hagestein besluit ik dat ik gewoon ouderwets mijn woorden moet gebruiken. “Ik heb zin in koffie. Zullen we in een willekeurig dorp koffie drinken?’ Zonder zijn antwoord af te wachten, stuur ik mijn auto diagonaal de afrit op en zeg: ‘Kijk, Hagestein, daar is het vast gezellig’. In het pittoreske Hagestein zal ik hem trakteren op een kopje koffie en mijn brute eerlijkheid.

Drie simpele bordjes vertellen me dat Hagestein over niet meer dan een kerk, een dorpshuis en een begraafplaats beschikt, dus ik parkeer op een lege parkeerplaats bij het dorpshuis. Verward door mijn keuzes in het leven stap ik uit de auto, terwijl James vrolijk door kwettert over zijn broer die in een onfortuinlijk sexfilmpje op het internet was beland. Het dorpshuis blijkt gesloten, maar we mogen een kopje koffie drinken, terwijl de vriendelijke uitbater de kerstversiering ophangt. Tussen stoffige slingers en een verwrongen kerstelf komt het hoge woord over mijn lippen. ‘Ik wilde eigenlijk koffie drinken om te kunnen zeggen dat ik niet naar De Efteling wil’. Ik kijk hem met grote onschuldige ogen aan, wetende dat ik dat altijd doe als ik slecht nieuws moet brengen. Het blijkt ook als altijd verwarrend, want James snapt totaal niet wat ik probeer te zeggen. ‘Oh, maar we kunnen ook iets anders doen?’ stelt hij voor zonder enige aandacht voor mijn innerlijke lijdensweg. Ik zwijg en trek een moeilijk gezicht. Langzaam dringt mijn wens me te ontdoen van zijn gezelschap tot hem door.

Terwijl James mij nog op weinig subtiele wijze laat weten wat ik allemaal mis door zijn gezelschap af te wijzen, rijd ik hem terug naar Utrecht Centraal. Nog voor de middag kijk ik hoofdschuddend uit het raam op kantoor. Een illusie armer. Tot de volgende avontuurdag tenminste.

Dat romantische hutje op de hei

Waar komt het eigenlijk vandaan? Dat romantische beeld van een schrijver die geïsoleerd in dat hutje op de hei tot zijn beste werk komt? Ik heb geen flauw idee. Ik kan me überhaupt weinig voorstellen bij isolement en al helemaal niets bij dat het inspirerend zou zijn. Ik ben bijna 33 jaar en heb nog nooit alleen gewoond. Ik kan heel goed alleen werken, maar dan wel het liefst met mensen om me heen. Anders word ik eenzaam en word ik gek genoeg afgeleid door mijn eigen eenzaamheid. Want je eenzaam voelen in de stad is onzin! Er zijn genoeg mensen en er is genoeg te doen. Snel te fixen die eenzaamheid, dus huppakee weg bij die computer en de stad in!

Maar wat als er gewoon niets en niemand in de buurt is? Vind je dan misère of juist ultieme rust? Ik ga het onderzoeken. Op het internet wemelt het van de oproepjes voor huisoppassers voor huis, tuin en huisdier. Riante villa’s in Frankrijk en Portugal. Schattige huisjes aan Italiaanse meren en afgelegen hutjes in de Spaanse bergen. Mijn agenda is flexibel en mijn geest zo mogelijk nog flexibeler, dus ik kan me prima voegen naar de wensen van excentrieke huiseigenaren.

Mijn oog valt direct op een huis in de middle of nowhere in Zuid-Portugal. Twee weken leven als kluizenaar met drie ezels. Drie ezels? Ja! Drie ezels, drie honden, twee katten, een moestuin en een boomgaard. Ik stuur meteen een bericht, want dit is wel het droomhuis. Hoe meer ik hoor van de bewoners hoe enthousiaster ik word. Volledig off the grid, water uit een bore hole, energie via zonnecollectoren en 100% klimaatneutraal! Zelfs het wilde zwijn dat onlangs de labrador ‘s nachts heeft aangevallen, kan mijn enthousiasme niet temperen. Het enige obstakel is de concurrentie van een mysterieus stel, dat keihard mijn droomhuis voor mijn neus weg kaapt.

Maar ik heb een missie en zoek vastberaden verder. Ik stuit op een Peaceful hideaway and horsecare in de Sierra Nevada in Spanje. Thuis voor een 53-jarige massagetherapeute en haar acht van mishandeling en verlating geredde huisdieren: twee paarden, drie honden en drie katten. Ze zoekt een vrouw – de katten zijn bang voor mannen – die niet of nauwelijks interesse heeft in de omgeving, negeert dat het prachtige Granada om de hoek ligt en het liefst de hele dag met de katten op schoot in de kamer zit. Ik ben verkocht. Smokey de kat poept bij voorkeur in bad, maar hoe erg kan dat zijn? Ik vind het hele scenario zo onvoorstelbaar en zo’n contrast met mijn stadse leven, dat ik dolenthousiast mijn vliegtickets meteen heb geboekt.

Dus place your bets! Heb ik volgende maand in alle rust 80 bladzijden geschreven of leer ik vast de verlammende eenzaamheid van een vrijgezel op leeftijd kennen? Wordt vervolgd…

Bob en Wesley’s: dat beetje kleur aan je wekelijkse autoverhuur

Verhuur je auto, help anderen en verdien je autokosten terug! Sinds een half jaar verhuur ik mijn auto via Snappcar en het is een bron van avontuur gebleken. Meestal is het natuurlijk saai. Dan komen mensen keurig hun afspraken na, rijden nergens tegenaan en smokkelen geen vluchtelingen over de grens in je achterbak. Maar soms heb je een Bob of een Wesley, die net dat beetje kleur aan je wekelijkse autoverhuur geven.

Zo lijkt Bob een voorbeeldige huurder. Blonde kuif, stevige kwaliteit haargel en strak gestreken overhemd. Zo’n type waarvan je verwacht dat hij iedere dag in de file naar kantoor staat en weet hoe een auto werkt. Bob stelt niet teleur. Op het afgesproken tijdstip staat mijn auto weer keurig afgetankt op zijn plek. Precies op tijd voor een ritje naar Rotterdam. Terwijl ik verwoede pogingen doe Radio 538 uit mijn auto te tunen, rijd ik soepel de oprit naar de A12 op. Plotseling zie ik een auto vol kerels naast mij rijden. De ramen zijn open en ze gebaren en schreeuwen naar me. Normaal gesproken negeer ik dit soort types, maar nu draai ik toch het raampje open. ‘Je motorkap staat open!’ roept een stevige man vanaf de passagiersstoel. Verschrikt kijk ik door mijn voorruit en hoor de man echoën: ‘Als je zo optrekt naar 120 vliegt hij door je voorruit.’ In één ruk stuur ik mijn rode Toyota de vluchtstrook op en klim aan de passagierskant de auto uit om de motorkap dicht te duwen. Bob had per ongeluk de motorkaphendel verward met de benzinedophendel. Kan gebeuren, Bob. Gelukkig ben je geen Wesley.

Wesley is al drie kwartier te laat, als hij eindelijk belt op vrijdagmiddag: ‘Ik sta te wachten bij een groene Toyota, waar ben jij?’ Wesley is al niet meer mijn favoriete persoon, maar ik vertel hem kalm dat ik bij de rode Toyota sta. Die ene die hij gehuurd heeft voor zijn weekendje Sneekweek. Als Wesley zijn slachtoffer voor het weekend eindelijk gevonden heeft, leg ik hem snel uit hoe alles werkt en vertel hem dat hij moet inchecken met de Snappcar app. Een simpele procedure, bestaande uit vijf schermpjes: het startscherm met de knop ‘Beginnen’, dan de kilometerstand, de aanwezige schade, het brandstofpeil en de rijbewijscontrole. Het gaat meteen fout. Wesley drukt op de knop, stopt de telefoon terug in zijn broekzak en is klaar om in te stappen. Nee, nee, lieve, chaotische, sullige Wesley, met de knop ‘Beginnen’ bedoelt Snappcar beginnen met inchecken, niet beginnen met autorijden. Terwijl Wesley de grootste moeite heeft tijdens de rest van de procedure zijn telefoon uit zijn broekzak te houden, probeer ik zo subtiel mogelijk de grootte van zijn pupillen en de kwaliteit van zijn adem vast te stellen. Mijn gedachten dwalen af naar Sneekweek. Wat een lullig einde voor een prima auto.

Nadat ik mijn autosleutels aan Wesley heb overgedragen en hij na tien minuten klooien eindelijk wegrijdt van de parkeerplaats, word ik verscheurd door twijfel. Had ik de verhuur niet ter plekke moeten weigeren? Maar op basis waarvan? Ik had niet de indruk dat hij onder invloed van iets was en hij had een geldig rijbewijs. Had ik moeten zeggen: ‘Sorry Wesley, geen Sneekweek voor jou, want je bent een idioot’?

En ja hoor. Een paar uur voor de geplande wederkomst van Wesley op zondag, komt het gevreesde telefoontje. ‘Ja hoi, ja uhh.. de auto start niet meer.’ Wesley vertelt de auto zonder problemen geparkeerd te hebben op vrijdag, dus geen flauw benul te hebben waarom de auto nu kuren heeft. Ik vraag hem of de accu misschien leeg kan zijn, maar dat blijkt een vraag waar hij geen antwoord op kan geven. Ik besluit het anders te formuleren. ‘Heb je de lichten misschien aan laten staan?’ Terwijl ik uit blinde frustratie mijn servies al mentaal op de grond smijt, hoor ik Wesley uitleggen dat hij met stadslicht heeft gereden, maar de auto gewoon met de sleutel heeft uitgezet. Ah ik begrijp het. Wesley kan natuurlijk ook niet weten dat in een Toyota uit 2002, je alles met de hand moet aanzetten, uitzetten, opendraaien en op slot moet zetten. In een volgend pijnlijk moment leg ik Wesley uit wat startkabels zijn en dat sommige mensen die in hun auto hebben liggen. Hij pikt het goed op en zegt zelfverzekerd dat hij wel kan rondvragen in Sneek. Ik ben trots. Trots op Wesley en zijn bloeiende assertiviteit en trots op mijzelf omdat ik voor het eerst in mijn leven over meer autokennis beschik dan de willekeurige ander. Een paar uur later staat mijn auto weer op de parkeerplaats in de buurt en is Wesley godzijdank uit mijn leven verdwenen.

Wesley en Bob mogen van mij voortaan op de fiets, maar Snappcar.. Wat een topidee!

Een licht-ontvlambare middag in juli

Zonnemaire, wie kent het niet? Ik rijd al twee uur op de motor in zuidelijke richting voor een willekeurig, spontaan bezoek aan het Zeeuwse dorp, dat maar liefst 749 inwoners, een te gekke kroeg en een snackbar telt. Het is zondag, dus ik heb geen haast en besloten dat ik de snelweg vermijd. Ik maak overtochtjes met pontjes, rijd door schattige plaatsjes, met exotische namen en zwaai vrolijk naar mijn passerende collega-motorrijder. Het is een gezellige middag, wat ergens gek is met een brullende motor en een helm op je hoofd.

Volledig in gedachten verzonken over hoe onhandig tolwegen zijn voor motorrijders, na betaald gebruik van de Kiltunnel bij Dordrecht, voel ik plotseling een koude windvlaag langs mijn linkerbeen waaien. Dat is gek. Zou de rits van mijn motorbroek kapot zijn? Ik stuur de motor rechtsaf in de richting van het plaatsje Cillaarshoek, als ik terloops naar beneden kijk. De temperatuur in mijn helm schiet omhoog. ‘Shit, shit, godver!’ Mijn been voelt niet koud door de wind, maar door de liters benzine die uit een gescheurde brandstofslang mijn laars inklotsen.

Onmiddellijk zet ik mijn Yamaha aan de kant van de weg en spring er vanaf. De laatste benzine druppelt nog in een lullig plasje naast de motor, terwijl ik schaamteloos mijn broek en laarzen uittrek langs de kant van de weg. Ik zie Bruce Willis al achteloos een brandende sigaret mijn kant op gooien, dus tast met liefde de Cillaarshoekse goede zeden aan om een eventuele explosie te voorkomen. Ik giet water over mijn blote onderbeen en voet, waarna ik een brandstofvrije broek uit mijn tas vis.

Starend naar het kleine losse slangetje bel ik de ANWB. Drie keer moet ik Cillaarshoek spellen en beamen dat ik het ook niet kende, totdat ik drie minuten geleden als een brandende fakkel in spé een noodstop maakte op de plaatselijke parkeerplaats, voordat ik te horen krijg dat er binnen een uur iemand zal komen om me te helpen.

OK dan. Een uur.  Ik neem nog een slokje water, leg mijn motorbroek en laarzen in de zon en speel een beetje met het brandstofslangetje. Het lijkt wel alsof hij doorgesneden is, zo recht is hij afgescheurd. Aan de overkant van de weg zie ik de koplampen van een auto branden. Als ik toch een uur moet wachten, kan ik net zo goed iemand anders de ANWB besparen. Ik bel aan, wijs naar de autolampen en beantwoord de wedervraag waarom ik op deze willekeurige zondag op blote voeten door Cillaarshoek banjer.

De brandende koplampen-man blijkt best handig te zijn en na een beetje priegelen heeft hij het brandstofslangetje weer op de juiste plek zitten. ‘Kun je die ANWB afbellen’, zegt hij droog, terwijl hij zijn handen weer in zijn zakken steekt. Verbaasd kijk ik naar het slangetje. Hij is 2 cm korter dan voorheen, maar lijkt weer stevig vast te zitten. Dit had ik zelf ook gekund! ‘Zat er geen klemmetje omheen?’ vraag ik met een beetje pseudokennis. ‘Hoe lang moe je nog? Anders doe ik er nog effe een taireppie  omheen. Start hem maar eens.’  Zonder vertrouwen op een startende motor, nadat ik de laatste druppels brandstof op de straatstenen had zien verdampen, start ik zonder problemen de motor. Ik snap er duidelijk niets van.

Ik hijs me weer in mijn geurende motorbroek, bedank mijn nonchalante held en rijd met genoeg brandstof en zonder verdere problemen naar het dichtstbijzijnde benzinestation. Het laatste uur van mijn reis naar Zonnemaire verloopt afgezien van wat fantoomkou bij mijn been en flinke, onverwachte rukwinden op de Grevelingendam voorspoedig en tegen zessen arriveer ik op mijn logeeradres.

Onder het genot van een niet aflatende benzinestank bestudeer ik in de achtertuin mijn met tie-wraps in elkaar gezette leeftijdsgenoot. Liefdevol klop ik op de weer goedgevulde benzinetank en denk: ‘Vingerverven. Dat is ook een leuke hobby.’

De maandag dat ik gekidnapt werd door de buurman

Het is maandagavond 7 uur als ik boven het lawaai van de stofzuiger uit de deurbel hoor. Op mijn blote voeten stuiter ik de trap af en begroet enthousiast de oudere man van allochtone afkomst die achter mijn voordeur verschijnt. Hij is duidelijk minder blij om mij te zien. “Ander meisje, kort haar”, zegt hij schijnbaar geïrriteerd en ik begrijp dat hij gehoopt had mijn huisgenoot te treffen. Ik vertel hem dat ze later op de avond terugkomt, maar hij heeft al een nieuw plan. “Jij meekomen. Mij helpen. Vlees. Barbecue.” Hij grijpt mijn arm vast en trekt me op mijn blote voeten de stoep op. “Wacht”, sputter ik tegen. “Ik kan zo niet weg. Ik moet sleutels en slippers pakken.” De man die mijn overbuurman blijkt te zijn, snapt het probleem niet. Hij manoeuvreert de deurmat tussen de voordeur en de deurpost en schopt zijn slippers uit, ten behoeve van mijn tere voetzooltjes. “Nu helpen tillen”. Als hij opnieuw aan mijn arm trekt, ruik ik de sterke alcoholwalm. Deze man is hartstikke dronken!

Ik snap er weinig van, maar ik herinner me een verhaal over een aardige Iraanse buurman die mijn huisgenoot vorig jaar ergens mee heeft geholpen. Ik besluit deze buurman het voordeel van de twijfel te geven, tot halverwege de straat een willekeurige buurvrouw uit het raam roept: “Hij is wel vaker zo. Ik heb al iemand gebeld. Hij kan niet zo over straat lopen.” Vertwijfeld kijk ik van de buurman naar de buurvrouw. Wat is dit? “Wie heb je gebeld dan? Hij zegt ergens hulp bij nodig te hebben”, vraag ik onnozel. “De ambulance”, antwoordt de buurvrouw met net te veel leedvermaak naar mijn smaak. Ook mijn Iraanse buurman heeft begrepen dat het alarmnummer is gebeld. “Hoer! Jij hoer!”, roept hij naar het raam, waarop hij zich tot mij wendt en met veel armgebaren uitlegt dat er heel veel mannen bij haar thuis komen.

“Kom ik zal u helpen met de barbecue”, probeer ik de situatie te sussen. We zijn alweer een hele grote stap verder als hij weer in zijn eigen huis is, dus daar wil ik best voor op mijn blote voeten over straat. Dankbaar doet de buurman zijn voordeur open, waar tot mijn grote verbazing een barbecue met een pan vers bereid vlees klaar staat onder de trap. Hij pakt de pan en een fles sherry en duwt ze mij in de handen, terwijl hij zelf de barbecue vastgrijpt. “Waar moet dit allemaal naar toe dan?”, vraag ik beduusd. De barbecue stuitert weer terug op de grond en de man wijst: “Daar. Buiten. Op balkon!” In de volle wetenschap waar hij naar wijst, draai ik me voor de zekerheid om. Ik voel de slappe lach opkomen, maar in plaats daarvan vraag ik heel serieus: “U wilt barbecueën op mijn balkon? Dat lijkt me heel gezellig, maar dat kan niet nu.” Ik kijk de man aan op zoek naar een klein beetje redelijkheid. “Ik heb al gegeten”, voeg ik er enigszins lullig aan toe. Hij heeft geen boodschap aan mijn bezwaren en heeft de barbecue alweer vast. “Jij niet snappen. Ik bedanken ander meisje. Jij helpen.” Ik begin langzaam te snappen dat deze man misschien mijn huisgenoot wil bedanken met een barbecue, maar dit is wel een beetje gek. Toch?

Ik weet echt niet goed wat ik moet doen, als achter mij klinkt: “Wat is hier aan de hand?” Een man op een fiets met een shirt waar ‘Wijkhandhaving” op prijkt, kijkt me vragend aan. Ik schiet in de lach en zie mezelf op mijn blote voeten met de pan vlees en de fles sherry op straat staan. “Goede vraag”, antwoord ik. “Deze man belde net aan en lijkt te hebben besloten dat hij bij mij op het balkon komt barbecueën”. Ondertussen worstelt de buurman onverstoorbaar de barbecue naar buiten en roept de buurvrouw weer uit het raam: “Ik heb 112 al gebeld hoor. Ze zijn al onderweg. “Hoer!” roept de man weer, terwijl hij zuchtend en zwetend de barbecue naar buiten werkt. De wijkagent lacht schaapachtig, maar herpakt zich snel. “Meneer, die fles drank mag u niet buiten drinken. U moet daarmee naar binnen.” Feitelijk gezien ben ik degene die de sherry vasthoudt, maar desalniettemin vind ik dit een goed plan. Als ook de politie arriveert, snapt de man dat de barbecue voorlopig niet wordt aangestoken. Ik geef hem met het nodige schuldgevoel en medelijden zijn fles en pan terug. “Twintig jaar hier. Lekker barbecue. Bedanken”, mompelt hij nog voordat de voordeur onder dwang van vijf agenten dicht gaat. “Dank u wel voor het komen hoor”, bemoeit de buurvrouw uit het raam. “Ik pik het echt niet dat iemand zomaar ‘hoer’ naar me schreeuwt.

Ik besluit dat ik hier geen deel meer van uit hoef te maken en ga terug naar huis. Die avond galmt het nog lang ‘hoer’ door de straat, gevolgd door een verontwaardigd geschreeuw van de overbuurvrouw. Ook onze deurbel gaat nog tientallen keren, maar wij doen maar niet meer open. Eén keer zie ik de buurman nog hoopvol met zijn barbecue de straat oversteken, totdat hij uiteindelijk verdrietig op het bankje voor zijn huis belandt. De buurvrouw tergt de arme stakker net zo lang, totdat hij vaak genoeg ‘hoer’ heeft geroepen voor haar om de politie weer te bellen. Om 11 uur ‘s avonds, na vier uur chaos, brengen drie agenten eindelijk de rust terug in de buurt.”

De afgelopen dagen heb ik nog vaak aan de oude, lieve, eenzame buurman gedacht. Misschien moeten we toch een keer met hem barbecueën.

Met drie fout zakken voor je theorie-examen

Met weinig vertrouwen in een goede afloop, neem ik bij het altijd bruisende CBR in Overvecht plaats achter computer nummer 15 voor mijn motortheorie examen. Ik heb die nacht teveel slaap verruild voor oefenexamens en de behaalde resultaten bieden weinig hoop voor de toekomst. Met trillende handjes klik ik op start. Hoe zat het ook alweer met de stopafstand en die armbewegingen van een verkeersregelaar? Twintig minuten later kan het theorieboek de prullenbak in. Geslaagd! Ik kan de verkeersregels weer vergeten.

Euforisch stap ik op de fiets naar huis en bericht eenieder die begaan is met mijn carrière als motorcoureur dat ik, met een luttele drie fout, koningin van de motortheorie ben geworden. Vluchtig opkijkend van mijn telefoonscherm, spot ik in de verte een kruispunt met knipperende stoplichten. De chaos wordt getemd door de mij inmiddels welbekende verkeersregelaar en ook de stoep wordt om onduidelijke redenen bevolkt door een kudde politieagenten.  Ik grijns. Deze verkeerssituatie heb ik zojuist op het examen nog getackeld.

Dan gebeurt er iets geks in mijn hoofd. Terwijl ik de tweebaansweg nader en de armbewegingen van de verkeersregelaar probeer te interpreteren, denk ik: ‘Het zal wel. Er komt geen auto aan. Ik steek gewoon over.’ Als ware het tovenarij zwaait de agente met haar armen en auto’s beginnen spontaan te rijden. Ik strand onhandig op de vluchtheuvel in het midden van de weg en probeer mijn fiets te redden van ongelukkige botsingen met voorbij scheurende auto’s. Dan voel ik de ogen van het dozijn politieagenten aan de overkant van de weg en een gevoel van allesvernietigende schaamte overspoelt me. ‘Maar drie fout’, piept een klein stemmetje nog in mijn hoofd. Ik kijk schichtig op en zie hoe één van de agenten wijdbeens op de rand van de stoep gaat staan, zijn armen over elkaar vouwt en mij hoofdschuddend aankijkt. Ik lach schaapachtig en haal mijn schouders op. ‘Ik heb het verkeerd begrepen’ zou op dit precieze moment wel een hele grove leugen zijn.

Het voelt alsof ik urenlang in het schijnsel van afkeurende politiemanogen op die vluchtheuvel heb gestaan, als ik eindelijk mijn weg mag vervolgen. Ik lach nog één keer schuldbewust naar de agent en probeer voldoende vaart te maken om een mogelijk stopteken te ontmoedigen. Hij schudt nog een laatste maal zijn hoofd en doet zijn hand voor zijn ogen. Hij ziet het door de vingers. Opgelucht fiets ik nog een beetje harder bij het onverwachte, gênante intermezzo weg, terwijl ik lachend de neiging voel te huilen. Ik mag van geluk spreken dat ik geen Marokkaanse tiener op een scooter ben. Wie hoeft te slagen voor een theorie-examen als je een blanke vrouw bent? Hm..

Hoe de dakloze man in het witte overhemd een Wall Street-bankier werd

Toegegeven, ik zit wellicht enigszins verloren alleen aan de bar als de jongen in het oogverblindende witte overhemd besluit dat één plus één twee is. Ik heb toevallig weinig anders te doen, dus ik besluit hem te verwelkomen met een spervuur aan geïnteresseerde vragen.

Al snel ontdek ik dat hij in Finance zit. Het woord Finance ontketent gemiddeld genomen weinig vlinders of anderszins beroering in mij, maar gelukkig weet hij zijn verhaal snel een verrassende wending te geven. Hij is op zijn 17e zonder paspoort in zijn eentje naar de Verenigde Staten vertrokken. Hij staat als gemiddelde puber nog bij zijn ouders in het paspoort en dat is voor 2001 schijnbaar nog geen reden om iemand niet per vliegtuig af te leveren in New York. Eenmaal daar aangekomen is zijn spaargeld snel op en de vier jaar die volgen staan in het teken van honger, armoede, daklozigheid en op je knieën moeten voor een beetje liefdadigheid.

Eén knieval – zo stel ik het me tenminste voor – opent plotseling een nieuwe deur. Een grote deur in een hele grote wolkenkrabber op Wall Street. Hij krijgt een traineeship aangeboden en werkt een jaar lang zes dagen per week en twintig uur per dag. Andere aspirant-bankiers geven het op, besluiten een leven te willen of vallen dood neer, maar deze jongen haalt de eindstreep. Hij krijgt een baan aangeboden. Een dikbetaalde, prestigieuze baan op het beruchte Wall Street. Hij moet alleen nog even een kopietje van zijn paspoort inleveren bij P&O en dan is alles geregeld.

Zijn wereld stort opnieuw in. Hadden ze niet om een kopietje van zijn energierekening of van zijn favoriete afhaalmenu kunnen vragen? Hij heeft geen paspoort én geen verblijfsvergunning. Hij zal gedeporteerd worden en al zijn harde werk zal voor niets zijn geweest. Met betraande wangen biecht hij zijn verhaal op aan de man die hem ooit van de straat haalde. Hij is geen Amerikaan, maar een identiteitloze Nederlander. Een gelukzoeker die het geluk eindelijk dacht te hebben gevonden. De man strijkt over zijn hart en vervolgens over zijn portemonnee en koopt in de speciale Wall Street winkel voor mannen met geld en privileges een Greencard voor de jongen in het witte overhemd. De wereld om dit prachtig romantische vader-zoon moment stort tegelijkertijd ineen, want hoe heeft een dak- en identiteitloze Nederlandse tiener de machtige wereld van Wall Street kunnen binnendringen zonder dat de zorgvuldig geïnstalleerde alarmbellen waren afgegaan?

De jongen in het witte overhemd had het systeem gefopt en ik denk onder het genot van een slokje bier aan hoe die film ‘Catch Me If You Can’ met Leonardo DiCaprio ook alweer precies gaat. Tien jaar lang werkt de jongen op Wall Street en koopt hij onvoorstelbaar veel witte overhemden. Tot hij op een dag besluit dat het tijd is. Tijd om vakantie te vieren, tijd om een zeilboot in Italië te kopen en tijd om naar huis te gaan. Naar Nederland om ook hier na een tijdje op zoek te gaan naar een baan in zijn geliefde Finance. De gemiddelde Nederlander blijkt gek genoeg maar matig onder de indruk van zijn Wall Street – CV. Waar zijn zijn diploma’s en nog belangrijker: Waar is zijn verblijfsvergunning? Hij is nu immers geen Nederlander meer.

Wit overhemd heeft nu een midlevel baantje in Finance, studeert Finance in de avonduren en heeft gelukkig nu alle tijd om aan de bar zijn mooie verhalen te vertellen. Ik denk opnieuw aan Leonardo DiCaprio, drink mijn biertje op en verlaat de bar. Ik heb een sterk vermoeden dat het nooit meer dan mooie verhalen zijn geweest.